Categorie: Achtergrondinformatie

NRC BOEKEN – over Conservatisme

NRC – BOEKEN

Altijd op weg naar morele verheffing

Nederlandse conservatieven in de negentiende eeuw

Vrijdag 30 maart 2001 door Peter de Bruijn

Het conservatisme beleeft sinds kort een herwaardering, als kalmeringsmiddel voor een doldrieste samenleving. Maar zijn de huidige conservatieven wel uit hetzelfde hout gesneden als hun grote voorbeeld Edmund Burke? Blijkens een nieuwe studie zijn ze in elk geval zeer Nederlands.

Ronald van Raak: In naam van het volmaakte. Conservatisme in Nederland in de negentiende eeuw. Wereldbibliotheek, 269 blz. ƒ59,90

Conservatisme is in de mode. Vrijwel alle kranten en tijdschriften hebben de laatste weken uitgebreid aandacht besteed aan het gedachtengoed van een klein groepje jongemannen rond Andreas Kinneging. Deze Leidse rechtsfilosoof zei het `surfplank-liberalisme’ van Hans Dijkstals VVD vaarwel en richtte de Edmund Burke-stichting op, die het conservatieve gedachtengoed in Nederland wil stimuleren. Belangrijkste wapenfeit is vooralsnog de eigen website (www.conservatismeweb.com) waarop, naast academische beschouwingen van Kinneging, ook een stuk te vinden is waarin het homohuwelijk in morele zin wordt gelijkgesteld aan het huwelijk tussen broer en zus, tussen kinderen en volwassenen, en aan polygamie.

De dissertatie van de Amsterdamse historicus en filosoof Ronald van Raak over het Nederlandse conservatisme in de negentiende eeuw, In naam van het volmaakte, had dus niet op een beter moment kunnen verschijnen. Van Raak heeft rond zijn promotie in diverse media een uiterst sceptische visie op het hedendaagse conservatisme verwoord. Hij verwijt de Nederlandse neoconservatieven dat ze ten onrechte het alleenrecht opeisen op een morele levensvisie en dat ze hun moralistische uitgangspunten bovendien onvoldoende politiek uitwerken. In naam van het volmaakte, waarop Van Raak in december is gepromoveerd en waarvan nu een handelseditie is verschenen, geeft dan ook weinig aanleiding tot fiducie in het Nederlands conservatisme.

Van Raaks studie is het eerste uitgebreide onderzoek naar het niet-confessionele Nederlandse conservatisme in de negentiende eeuw. Dat is niet zo vreemd, volgens Van Raak, want historici hebben nu eenmaal weinig aandacht voor de verliezers van de geschiedenis. En daar behoorden de conservatieven onmiskenbaar toe, al probeert Van Raak — niet echt overtuigend — aan te tonen dat hun invloed groter was dan tot nu toe is aangenomen.

Van Raak ruimt veel plaats in voor de Utrechtse hoogleraar scheikunde Gerrit Jan Mulder, de grondlegger van het conservatisme in Nederland. Hij besteedt veel aandacht aan Mulders filosofische en wetenschappelijke opvattingen, hoewel niet altijd duidelijk is hoe die zich verhouden tot zijn politieke activiteiten. Mulders humanistische conservatisme onderscheidde zich op een wezenlijk punt van het klassieke conservatisme van de Britse denker Edmund Burke, auteur van het beroemde Reflections on the Revolution in France (1790). Mulder geloofde namelijk in het streven naar morele volmaaktheid; morele verheffing van het individu zou volgens hem uiteindelijk leiden tot de morele verheffing van de maatschappij. Het klassieke conservatisme gaat daarentegen juist uit van de natuurlijke onvolmaaktheid van de mens. Het optimistische en perfectionistische mensbeeld van de Franse revolutie zag Burke zelfs als levensgevaarlijke hoogmoed.

De vergelijking met de hedendaagse conservatieven rond Kinneging dringt zich op. Ook Kinneging, die geïnspireerd wordt door het theocratische geschrift Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823) van de dichter Isaac da Costa (`Zo actueel’, zei Kinneging tegen het Reformatorisch Dagblad) legt de nadruk sterk op de noodzaak van een moreel reveil, geleid door het traditionele gezin en de kerk. Net als bij Mulder gaapt er bij Kinneging een kloof tussen strenge morele uitgangspunten en praktische politiek. Zijn morele rechtlijnigheid verhoudt zich slecht tot het relativeringsvermogen en de bescheidenheid over de rol van de politiek van de ware conservatief.J.L. Heldring schreef in deze krant (3.3.2001) dan ook dat de moraal in de huidige discussie over het conservatisme naar zijn smaak te veel nadruk krijgt.

Dat is een typisch Nederlands trekje. De historicus M.C. Brands zei ooit dat in Nederland de politiek wordt beschouwd als `de voortzetting van de theologie met andere middelen.’ Ook het cultuurrelativisme, waar de neoconservatieven zich fel tegen afzetten, staat veel dichter bij de conservatieve traditie dan zij willen weten. Oog voor de uniciteit, waarde en kwetsbaarheid van wat historisch is gegroeid, verhoudt zich immers slecht tot universeel, moreel absolutisme, waar neoconservatieven prat op lijken te gaan.

Terug naar Mulder. Hij beleefde zijn hoogtijdagen tijdens de April-beweging van 1853. Mulder was een van de leiders van deze brede volksbeweging tegen het herinvoering van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland. Die was formeel verbonden met de vrijheid van godsdienst, zoals was vastgelegd in de grondwet van 1848. De eenheid en het voortbestaan van de protestantse natie stond volgens Mulder op het spel. Het verzet leidde tot de val van de regering-Thorbecke, nadat koning Willem III in een rede in Amsterdam min of meer zijn steun had betuigd aan de protestbeweging.

Driftkikker

Ook daarna bleven Mulder en zijn navolgers zich verzetten tegen de liberale interpretatie van de grondwet van 1848, waarin ook de ministeriële verantwoordelijkheid en de onschendbaarheid van de koning waren vastgelegd. Mulder betoogde dat de regering diende uit te gaan van de koning en niet van het parlement. Helaas voor de conservatieven was Willem III een weinig competente driftkikker, die om die reden zelfs door conservatieve politici veelal buiten de besluitvorming werd gehouden.

De liberalen probeerden via het parlement en kiesverenigingen de politiek in het openbare domein te brengen. Ook daar was Mulder fel tegen gekant. Via oligarchische, informele netwerken – met onder meer het huis van Oranje – trachtte hij de politieke ontwikkelingen achter de schermen te sturen. Volgens Van Raak hadden deze netwerken grote invloed. Mede door de intriges van Mulder kwam de gematigde regering-Van Hall ten val, die Thorbecke was opgevolgd. Maar omdat deze informele netwerken veelal een vertrouwelijk karakter hadden en nauwelijks sporen hebben nagelaten, kan Van Raak die invloed niet echt bewijzen.

De gelegenheidscoalitie tijdens de April-beweging van conservatieven en de protestantse reveil-beweging die geleid werd door onder meer Groen van Prinsterer, viel al snel uit elkaar. Groen van Prinsterer wantrouwde Mulder, die de maatschappelijke en zedelijke rol van religie plaatste boven kerkelijke dogma`s. Mulder klaagde op zijn beurt over de `sektegeest’ van de `Groenianen’. De liberalen krabbelden na de val van Thorbecke bovendien snel weer op en de conservatieve kiesverenigingen Koning en Vaderland werden geen groot succes.

De verzoenende politiek van de gematigde regering-Van Hall was voor Mulder reden om opnieuw oppositie te gaan voeren. Mede dankzij zijn contacten met de koning slaagde Mulder er zelfs in enkele geestverwanten in de regering benoemd te krijgen tijdens het extra-parlementaire en koningsgezinde ministerie-Van der Brugghen. Zelf achtte Mulder zich overigens ongeschikt voor een ministerspost. Het conservatieve kabinet kwam terecht in slepende conflicten met het parlement over de interpretatie van de grondwet. De minister van Binnenlandse Zaken, Simons, moest om die reden zelfs vertrekken en in 1858 kwam het gehele kabinet ten val. Na het Simons-debâcle trok Mulder zich terug uit de politiek. Conservatieve Kamerleden slaagden er niet in om een effectieve machtsfactor te vormen, omdat ze louter een losse band tussen regering en parlement voorstonden. Een conservatief kabinet kon daarom niet krachtig opereren.

Na de periode-Mulder zagen de conservatieven zich gedwongen om stap voor stap mee te gaan in het liberale tij. Met eigen kranten begonnen zij zich rechtstreeks tot het electoraat te wenden, waar Mulder nog van had gegruwd. Een conservatief leider als Jan Heemskerk Azn. stelde zich steeds meer op als een onversneden partijman, onder meer door een Algemene Kiesvereniging op te richten en een verkiezingsprogramma op te stellen. Door als partij naar voren te treden voegden de conservatieven zich naar de liberalisering van de politiek. Hernieuwde pogingen in de jaren zestig van de negentiende eeuw om een conservatieve, `koninklijke’ interpretatie van de grondwet geacccepteerd te krijgen, liepen wederom op niets uit. Door de openbaarheid te zoeken en mee te gaan in de richting van partijvorming, verloren de conservatieven hun eigen gezicht en daarmee hun bestaansrecht, concludeert Van Raak. Bij de verkiezingen van 1877 liep het aantal conservatieve Kamerleden terug tot zes. Heemskerk bekeerde zich bovendien tot het constitutionalisme. Het onderscheid met de liberalen werd zo nog kleiner. Begin twintigste eeuw was in de Nederlandse verhoudingen geen plaats meer voor een conservatief alternatief.

Veel inspiratie kunnen Kinneging en consorten dus niet putten uit het proefschrift van Van Raak. Als zijn beknopte en leesbare dissertatie iets duidelijk maakt, dan is het dat de Nederlandse conservatieven veelal achter de feiten aan liepen. Het conservatisme mag dan als levensgevoel bevrijd zijn van het taboe dat er sinds de jaren zeventig op rustte, zoals Ronald Havenaar uiteenzette (Boeken 24.03.01), maar als politieke leer stelt het huidige conservatisme nog niet veel voor. Zeker niet in de min of meer fundamentalistische variant van Kinneging, die onder meer het passief kiesrecht drastisch wil verhogen tot 45 jaar en die vraagtekens heeft geplaatst bij het recht op abortus, zelfs als er sprake is van verkrachting. Of de Burke-stichting het lot van de Mulderianen bespaard zal blijven, valt te betwijfelen. Maar wat niet is, kan wellicht nog komen. Met zijn 39 jaar heeft Kinneging naar conservatieve maatstaven de jaren des onderscheids nog niet bereikt.

Artikel over conservatisme en SGP – bron Terdege

Artikel:          OVER CONSERVATISME, SGP , HOUDING T.O.V. WILDERS
Bron:               TERDEGE
Datum:          4/28/2010

Interview over Conservatisme, SGP en Wilders

Deze week verscheen er in het Christelijk Familieblad Terdege een interview met mij over Conservatisme, de SGP en Wilders. Omdat het niet online is te lezen hierbij het gehele interview op mijn blog.

Hoewel de organisator van Conservatief Café jaren geleden nog enige sympathie
koesterde voor Wilders, heeft hij de SGP nooit verlaten. Wel vindt Wilco Boender dat reformatorische christenen veel meer moeten samenwerken met gelijkgestemden in de samenleving. „We kunnen ons geen exclusieve opstelling meer veroorloven.”

Hij praat graag en veel over het onderwerp dat hem fascineert.

Wilco Boender (36) is al ruim tien jaar gegrepen door het christelijk conservatief gedachtegoed dat een samenwerking met behoudende leden van diverse politieke partijen voorstaat. Conservatisme is volgens hem een politieke filosofie die staat voor een cultureel fundament in de samenleving.
Als organisator van het Conservatief Café ontmoet hij niet alleen SGP’ers maar ook CDA- en de VVD-stemmers.„De meesten van de bezoekers hebben wel iets met het christelijk geloof”, geeft hij aan. „We vinden elkaar als het gaat om een pessimistische mensvisie en het afwijzen van de gedachte dat de samenleving maakbaar is.”
De christelijk conservatieven komen ook buiten het Conservatief Café
bijeen, onder de naam Christelijk Conservatief Beraad. De naar Amerikaans
voorbeeld tea party’s genoemde bijeenkomsten volgen elkaar in een steeds sneller tempo op. Nog de avond voor ons gesprek is een groep van 18 gelijkgezinde denkers bijeen in Utrecht. „We hebben besloten een congres te houden.
Op 15 mei, over de rol van de overheid en de burger.” Boender zelf is niet bij de organisatie ervan betrokken. Bewust. „Omdat ik graag dingen organiseer, rol je van
het een in het ander. Gelukkig heb ik een vrouw die me afremt. Bovendien kom je niet geloofwaardig over als je je sterk maakt voor het gezin en ondertussen zelf altijd afwezig bent.”

Wat is christelijk conservatisme?

„Christelijke conservatieven houden vast aan de tien geboden, de wetten van het Koninkrijk. Dat is de basis,naast de deugdenethiek van de klassieke filosofen. Zonder het christelijk geloof en het besef van een christelijk fundament gaat een samenleving te gronde. Met andere conservatieven hebben we gemeen dat we niet
geloven in de maakbaarheid van de samenleving. We maken ons sterk voor een beperkte rol van de overheid. Gezinnen en organisaties hebben een sterke eigen verantwoordelijkheid.”

Wat is het belangrijkste meningsverschil met ‘gewone’ conservatieven?

„Conservatieven hebben een pessimistisch mensbeeld en gaan ervan
uit dat de mens geneigd is tot alle kwaad. Dat hebben we gemeenschappelijk.
Niet-christelijke conservatieven hebben helaas vaak een liberale houding ten opzichte
van ethische standpunten. Ze zijn bijvoorbeeld persoonlijk wel tegen abortus maar willen dat recht een ander niet ontnemen.”

In de achterban van de SGP worden de activiteiten van de christelijk
conservatieven met enig argwaan gevolgd. Hoe verklaart u dat?

„De afgelopen weken zie ik een kentering in die argwaan ontstaan. In zijn partijrede heeft Van der Vlies toenadering gezocht. Met name zal dit ook ontstaan zijn door de christelijk conservatieve stroming bij de SGP-jongeren die veel contact met
conservatieven hebben. De meeste SGP’ers onderschrijven onze standpunten over een kleine overheid, goed onderwijs, het belang van gezin en opvoeding, integratie en emancipatie en zo kan ik nog wel even doorgaan. Sommigen hebben moeite met
het feit dat het woord gereformeerd weinig gebruikt wordt door ons. Dat is nu juist ook onze bedoeling. Zonder zelf de gereformeerde waarheid los te laten wel de katholieke breedte in de maatschappij zoeken. Wij willen de samenwerking tussen mensen bevorderen.”

Een beweging met SGP’ers, CDA’ers en een afgedwaalde VVD’er, dat is toch lastig hanteerbaar?

„Wij zijn in de eerste plaats een onafhankelijke stroming, bezorgd over de
maatschappelijke ontwikkelingen.”

Maar niet geheel kritiekloos richting de SGP…

„Wij zoeken in alle gebrokenheid die katholieke breedte. Bij het invullen
van de stemwijzer komt de SGP landelijk tot wel vier of vijf zetels. Toch
worden die niet gehaald.”

Hoe komt dat?

„Het heeft te maken met het imago van de partij. Twee aspecten vallen daarbij op. Zo kunnen veel mensen niet uit de voeten met het begrip theocratie,iets waarover binnen de partij zelf overigens al twintig jaar lang wordt gediscussieerd. Een begrip dat
overigens ook in CDA- en CU-kringen verkeerd wordt uitgelegd, met alle gevolgen van dien. Daarnaast speelt de vrouwenkwestie, daar begrijpen veel mensen echt niets van.”

Schrappen dan maar, dat artikel 36? En het verbod op vrouwen inpublieke ambten opheffen?

„De verwerpelijke uitspraak van de Hoge Raad maakt de vrouwendiscussie intern wat wrang. Alle SGP-ers moeten zich nu onvoorwaardelijk achter de partij stellen. Zelfs conservatief liberalen komen nu op voor de SGP. Zelf heb ik geen probleem met vrouwen in politieke functies. Een conservatief standpunt laat voldoende ruimte om te benadrukken dat vrouwen primair in het gezin horen.
En als de kinderen de deur uit zijn, en een vrouw wil iets doen in de politiek, dan is dat toch prima?
Artikel 36, dat belijdt dat God deze ganse wereld regeert en bestuurt, behoort tot de beginselen. Dat is een waarheid die ik van harte onderschrijf, alleen zou je die alleen als een geloofsbelijdenis moeten lezen en zou je pragmatisch moeten handelen met godsdienstvrijheid. Dat doet de SGP in de praktijk ook al. De tijd van het
verwijzen naar de gewetensvrijheid ligt achter ons. De overheid dient te faciliteren dat de kerk vrijuit haar werk kan doen. Via het uitbreidende werk van de kerk zal dan met Gods zegen de valse godsdienst vanzelf verdwijnen.”

Pragmatisch handelen, dat past toch niet bij de SGP?

„Je zou het werk van de Tweede Kamerleden Van der Vlies en Van der Staaij eens nauwlettend moeten volgen. Velen in de achterban denken nog dat zij vele malen per week getuigen of prediken. Niets is minder waar, ze zijn heel praktisch bezig. In
zijn laatste algemene beschouwingen verwijst Van der Vlies bijvoorbeeld naar een conservatief denker als Ad Verbrugge en niet naar een uitspraak van een dominee. Maar hoe groot is de groep die de algemene beschouwingen compleet doorleest of beluistert?”

De islam is belangrijk in de discussie over onze cultuur en wortels. Wat is jullie standpunt?

„Als wij zeggen dat de christelijke cultuur het fundament onder onze samenleving is, betekent dat vanzelf dat er weinig ruimte voor de islam is. Echter binnen de kaders van de godsdienstvrijheid moet je de islam niet willen verbieden. Wel kun je met een verwijzing naar de christelijke ‘Leitkultur’ expliciete culturele en religieuze uitingen van de islam ontmoedigen. Denk bijvoorbeeld aan de fantastische minarettenmotie van Van der Staaij. Helaas heeft het CDA het religieuze gelijkheidsdenken ook breed geaccepteerd. Dat is één van de redenen waarom ik vind dat je als christelijk conservatief, in ieder geval op dit moment, in je politieke keuze bij de SGP uitkomt. Bij deze partij staat niet de religiegelijkheid, maar de christelijke traditie voorop.”

Toch vindt u de SGP vrij zacht in het islamdebat, eigenlijk te soft. Waarom?

„We mogen best zeggen dat het christelijk geloof leidend moet zijn en dat we geen samenwerking met de islam willen aangaan. Er wordt soms opgekomen voor de moslims
vanuit lijfsbehoud van de refo-cultuur. Dan doen we zelf ook mee aan het religieuze gelijkheidsdenken. We hoeven echt niet voor de moslims op te komen met het idee dat we dan voorkomen dat een volgende keer het christelijk geloof aan de beurt zou
zijn. Wel moeten we natuurlijk in gesprek blijven en via de kerken aan moslims het evangelie verkondigen.”

Is de islam gevaarlijk?

„Als je je een beetje in de islam verdiept, merk je al spoedig dat die ideologie zo strijdvaardig is en zo ver verwijderd is van de christelijke cultuur,dat samenwerking onmogelijk is. Ik zou niet weten waarom je hun ideologie niet vals mag noemen. Al moet je beseffen wanneer en op welke plek je dat doet. Natuurlijk moet
je het wel als een gegeven zien dat er hier een miljoen moslims wonen. We leven in een rechtsstaat. We mogen hen niet uitsluiten of wegpesten.”

Dat stevige standpunt heeft Wilders toch ook? Bovendien zegt hij de hoeder van het joods-christelijkegedachtegoed te zijn. Wat is er dan op hem tegen?

„Ik ben een keer bij een bijeenkomst met Geert Wilders geweest en heb hem toen gevraagd naar zijn visie op onze joods-christelijke wortels – hij noemt overigens ook de humanistische – en zijn inspiratiebronnen. Op de eerste vraag kreeg ik als antwoord dat tolerantie het belangrijkste kenmerk was, de tweede vraag werd genegeerd. Hij is een echte libertijn, op alle punten. Hij wil meer ontzag voor
agenten, maar ze mogen van hem ook meedoen aan de Gay Pride. Dat strookt toch niet met elkaar? Daarnaast is zijn vocabulaire van dermate laag niveau, dat zijn boodschap leeg en platvloers overkomt.”

Die botsende meningen over ethische punten, is dat niet fnuikend voor een brede conservatieve beweging?

„Dat kan een punt zijn, ja. Al moet je je afvragen of het in het politieke debat hier nog vaak om gaat. Ik denk dat er bij de Burkestichting in de beginjaren te veel is gekeken naar de Republikeinen in Amerika. Daar zie je orthodoxe christenen en nietchristenen goed samenwerken. Die situatie gaat in Nederland niet op. Gewone conservatieven hebben in Nederland vaak niets met het geloof,of zijn zelfs antireligieus, en christenen in Nederland zijn vaak links. De samenwerking blijkt veel losser te zijn dan gedacht.”

Ontmoet u veel sympathie voor Wilders in de achterban van de christelijke
partijen?

„Nee, niet veel. Al zal een deel van de Wilderskiezers uit deze partijen afkomstig zijn. Bij de SGP hakenjongeren af. Gestudeerden belanden vaak in CDJA-kringen. Een andere groep denkt veel minder na, leeft oppervlakkiger en koestert zeker sympathie voor Wilders. Bij het CDA zie je ook een verschuiving. Ik denk dat veel CDA’ers die een krachtiger islamgeluid voorstaan op de PVV stemmen, omdat ze de SGP te gereformeerd vinden. Terwijl ze inhoudelijk zo bij de SGP zouden kunnen aansluiten.”

Wat adviseert u de SGP?

„Zich erop te bezinnen of ze de belangen van het reformatorisch volksdeel wil verdedigen of dat ze een boodschap heeft die ook mensen van buiten de achterban kan aanspreken, zelfs orthodoxe roomsen. Ik vraag me af of de partij door de jaren
heen niet te veel theologie heeft binnengehaald. Ze kunnen beter meer pragmatisch bezig zijn en zich inzetten voor electorale winst uit het conservatieve volksdeel der natie. Dat gebeurt nu niet altijd, maar dan moet je volgens mij niet de politiek
ingaan. Politiek is ook gewoon business, in tegenstelling tot de kerk. Dit hoeft overigens niet ten koste te gaan van een persoonlijke getuigenis of belijdenis.”

Kan de christelijk conservatieve beweging ooit uitmonden in een eigen partij?

„Van ons hoeft er geen partij bij te komen. Maar ik acht het niet uitgesloten dat de libertijnen de komende jaren de macht grijpen en de laatste restjes van onze Christelijke cultuur zullen wegvagen. We vergeten wel eens dat het CDA ondanks alles in de voorbije decennia vaak een remmende factor is geweest. Je hebt dat gezien in de periode onder paars. Als het CDA niet vrijwel onafgebroken in de regering had gezeten, wat was er dan gebeurd? Misschien komt er in de toekomst wel een gezamenlijke beweging en worden we door de trieste vaderlandse omstandigheden
naar elkaar toe geslagen.”

Wilco Boender (36) is al enkele jaren actief als weblogger. Op het internet mengt hij zich in debatten over conservatisme en christendom. Boender was een tijdlang voorzitter van de SGP-jongeren in Gouda en is nu voorzitter van de Stichting Conservatief Café, dat sprekers uit de breedte van de conservatieve beweging uitnodigt. Met enkele gelijkgezinden richtte Boender enige tijd geleden ook het Christelijk Conservatief Beraad op.

Artikel over conservatisme – bron website SGP-jongeren Flakkee

Artikel over: conservatisme, ds. Doornenbal, SGP, CHU, Opinio en theocratie
Bron: website SGP-Jongeren Flakkee

Debatavond met Bart Jan Spruyt en Gert Slootweg

DIRKSLAND – Conservatief rechts of SGP? Bart Jan Spruyt pleitte onlangs voor een krachtenbundeling van conservatieve krachten in Nederland. De SGP zou op kunnen gaan in zo’n brede stroming ter rechterzijde van het politieke spectrum. Maar hoe denkt de SGP er zelf over? Voor Gert Slootweg, die vrijdagavond 12 februari met Spruyt debatteerde in Dirksland, is conservatieve bundeling een stap te ver. Toch overheersten de overeenkomsten tussen beide debaters. Over de fundamenten die de Nederlandse samenleving zou moeten hebben, verschillen zij niet van mening. Ons land is toe aan een Reveil.

Spruyt, bekend conservatief denker, startte zijn toespraak al direct met de opmerking dat hij geen zin had om te gaan bakkeleien over de geringe verschillen van inzicht. “De huidige tijd is te ernstig voor het narcisme van het kleine verschil. We hebben elkaar nodig, beste mensen.”

Spruyt ging in zijn betoog in op het leven van dominee Doornenbal, over wie hij vorig jaar een boek schreef. “Hij was christelijk en conservatief. Hij poogde de traditie te versterken van bevindelijke diepte en katholieke breedte. Die combinatie. Dat laatste, katholieke breedte, is niet rooms, maar gericht op eenheid, zowel cultureel, kerkelijk als politiek. De hervormde kerk zag hij als een planting Gods, een verbond dat niet ongedaan kan worden gemaakt door alle zonde.”

Fundament
“Eén ding is van groot belang als Doornenbal het over politiek heeft: Gods goede wetten zouden de basis, het fundament, moeten vormen van de samenleving. Breken we die wetten, dan breken die wetten ons en heb je een gebroken samenleving. Geen waarden zonder het christelijk geloof, dat is de kern van christelijke politiek. Daar ben ik het mee eens. Dat impliceert ook een visie op de overheid: die mag niet neutraal zijn. Dus: geen CDA-model, dat alle religies even veel ruimte geeft, en geen VVD-model, dat alle religie achter de voordeur wil duwen. Ik pleit voor een geprivilegieerde positie van de christelijke kerk. Het is de christelijke traditie die ons land heeft gemaakt”, aldus Spruyt. Hij voegde daaraan toe dat hij zich niet kon voorstellen dat de SGP het daar niet mee eens zou zijn. Overigens bleek later dat Spruyt geen politieke ambities heeft, zijn conservatisme is vooral cultureel.

“Ik doe geen woord af van het verhaal van Spruyt”, reageerde Slootweg, leraar geschiedenis en voormalig SGP-wethouder in Middelharnis. “Maar het is niet compleet. Spruyt schrijft dat hij (Ds. Doornenbal, SGPJF) zich het meest thuis voelt bij de CHU en bij het blad Opinio. Dat is niet De Banier en de CHU is niet de SGP, nooit geweest ook.”

Containerbegrip
Slootweg noemde conservatisme bovendien een containerbegrip. “Je hebt conservatief liberalisme, conservatief socialisme, en zelfs conservatief conservatisme. Conservatisme is intelligente nostalgie, heimwee naar een tijd die er nooit is geweest, zegt Spruyt. Maar wat doe je daarmee, hoe geef je die levenshouding praktisch vorm?”

Slootweg pleitte – in plaats van christelijk conservatief – voor ‘staatkundig gereformeerd’ in de zin van ‘christelijk-historisch’, “omdat wij Nederlanders een staat hebben met een christelijk karakter. Ook als er bijna niemand nog christelijk zou zijn, dan nog is het wezen van ons land protestants-christelijk.” Van dominee Doornenbal kan de SGP leren dat katholieke breedte en bevindelijke diepte niet zonder elkaar kunnen, betoogde Slootweg. Van verkramptheid en geïsoleerdheid in de reformatorische wereld, verschijnselen waarvoor Spruyt waarschuwt, mag volgens Slootweg geen sprake zijn. “Het grote probleem is dat we niet alleen een front hebben naar liberalen, socialisten en atheïsten, maar ook naar binnen. Tussen aanpassing en verzet, dat is het grote thema van onze tijd.”

Een bredere conservatieve krachtenbundeling, met inbegrip van de christelijk-historische staatkundig gereformeerde stroming, noemde Slootweg “buitengewoon gevaarlijk, een weg die niet begaanbaar is”.

De twee debaters naderden elkaar dus niet helemaal. Wel toonde Slootweg zich bereid om aan te schuiven bij de conservatieve denkavonden (bij de open haard met een glas port) die Spruyt organiseert.

Reveil
Onder leiding van Menno de Bruyne, fractiewoordvoerder van de SGP in de Tweede Kamer, ging het debat verder en kon ook de overvolle zaal meedoen. Daarin deed Bart Jan Spruyt een oproep om, zoals in de negentiende eeuw, tot een Reveil in Nederland te komen. “Herstel, niet via politieke middelen, maar door gehoorzaamheid aan het Koninkrijk van God.” Slootweg was het daarmee eens. “Als het waar is dat Nederland een protestants-christelijke natie is, dan gaat het om wat de Heere zegt. Dat is dan het fundament van de samenleving.” Kerkelijke verdeeldheid – met kenmerken van het narcisme van het kleine verschil – biedt dan geen perspectief. “Wij zouden één kerk moeten vormen, die spreekt in naam van de Heere. Laten we daar biddagen voor houden”, aldus Slootweg.

Natuurlijk kwam toen het woord theocratie op tafel. “Praten over theocratie kan alleen als er aan de voorwaarde van kerkelijke eenheid is voldaan”, opperde Spruyt. “Dan kunnen de christelijke waarden het fundament van de samenleving zijn en heeft de overheid een geprivilegieerde positie. Als dat theocratie is, ben ik theocraat.”

Krampachtigheid
Een ander punt dat tijdens de discussie nog naar voren kwam, was de vermeende krampachtigheid en geïsoleerdheid van de reformatorische zuil. De kloof met de rest van Nederland wordt steeds breder, betoogde dominee Doornenbal, waardoor er een gerede angst is dat de orthodoxen zich terugtrekken achter de dijk, in het isolement, elkaar steeds scherper de maat nemend. De krampachtigheid uit zich dan in levensstijl en leer. Spruyt waarschuwde daarvoor. “Je moet niet denken dat met het ontstaan van jouw specifieke kerkverband de kerkgeschiedenis is begonnen. Die is namelijk al tweeduizend jaar oud.” Slootweg voegde daaraan toe: “Ik zou graag een meer open houding zien, vanuit de bevindelijke diepte en de katholieke breedte.”

De SGP, zo bleek uit een volgende discussie over de koers die deze partij zou moeten varen, moet zich in de eerste plaats blijven baseren op “wat heilzaam is voor iedereen, de wetten van de Heere”. Volgens Spruyt uit zich dat in bijvoorbeeld aandacht voor het traditionele gezin, de inhoud van het onderwijs, het intomen van de islam, strijd tegen het steeds venijniger wordende relativisme en tegenstand tegen het overdragen van steeds meer nationale bevoegdheden aan Europa. “We moeten waken over onze nationale soevereiniteit.” Dat de SGP door het vrouwenstandpunt en de theocratie een minder goed imago heeft in de rest van het land, moet de partij maar op de koop toenemen. Die punten laten vallen om meer aantrekkingskracht te realiseren – of de tale Kanaäns aan de dijk zetten – is geen optie. Daar leek iedereen het vrijdagavond wel over eens. “We hoeven ons daar niet voor te schamen”, zei Menno de Bruyne. “We spreken de Bijbel na.”

Door Kees van Rixoort, Eilanden Nieuws, vrijdag 19 februari 2010

Lees ook het verslag Geslaagde avond in Dirksland! van SGP Dirksland